- Natuurkind, jongeren en de natuur. - http://www.natuurkind.nl -

Een kindvriendelijke tuin 4 : Wat spelen we?

kindennatuur.jpg [1] foto J. Pikkaart [2]

Een kindvriendelijke tuin: En wat spelen we?” Door Anne Tanne [3]

Eigenwijze tuinier Bart publiceerde woensdag een artikel over kindvriendelijke tuinen [4] als aanvulling op mijn reeksje. Hij schreef dat hij mijn onderverdeling zou aanhouden, en gaf daarbij blijk van helderziende capaciteiten, want één van zijn hoofdstukjes was ’spelen’, en dat had ik als afsluiter van de reeks nog in petto.

‘De groene stad’ beschrijft in Natuurlijk spelen [5] hoe de gemiddelde Nederlandse speelplek er uit ziet (en ik vrees dat het in Vlaanderen al niet veel beter is):

Een wipkip, een speelhut, een glijbaan, een bankje en daaromheen een hek. Ziedaar de gemiddelde Nederlandse speelplek. Keurig ingepast en afgeschermd, tot tevredenheid van ouders en omwonende. Kinderen vinden er meestal geen bal aan.

En dan denk ik aan mijn mooiste speelherinneringen als kind: De ‘wereldreizen’ die we maakten doorheen ‘het veld’, een groot braakliggend terrein, waar heel veel soorten hoge grassen groeiden’ ¦ Plekken met rood gras, met geel-bruin gras, zelfs plekken met groen gras’ ¦. en elke kleur was een ander land.
Cowboy en Indiaantje spelen (als de jongens ons lieten meedoen – ik wilde altijd indiaan zijn) in dat zelfde veld. Sluipen door het gras en niet gezien worden. De hut in ‘den Den’ (de sparrenplantage van mijn grootvader). Korenbloemen plukken. Kermisappeltjes (= meidoornbessen) zoeken om maaltijden voor de poppen mee te maken (als mijn vriendinnen me eens tot poppenspel konden overhalen).

En toen ik een jaar of zes was, kreeg ik van mijn ouders een schommel. Ik herinner me nog heel erg goed met hoeveel trots ze me over dat cadeau vertelden. En echt, ik was er op dat ogenblik ook heel blij mee’ ¦ maar wat moet het mijn ouders achteraf pijn hebben gedaan, dat er op die schommel zo weinig geschommeld werd.

Zoonlief heeft dan ook nooit echte ’speeltuigen’ voor de tuin gehad. Geen schommel, geen klimrek’ ¦
Een zandbak had hij wel’ ¦ en daar speelde hij zelfs af en toe in. Vooral toen hij ook een voorraadje bakstenen kreeg om mee te ‘metselen’. (En, veel te zelfstandig als dat manneke soms kan zijn, heeft hij in een onbewaakt ogenblik een emmertje cement uit de berging gehaald en échte mortel gemaakt. Het viel ons pas dagen later op dat ondanks de striemende regenbuien het ‘zand’ toch wel fantastisch goed tussen de stenen bleef zitten.)

Maar eigenlijk was (en is) hij veel liever elders in de tuin kuilen aan het graven. Op ‘het Veld [6]‘ heeft hij dan ook toestemming om kampen te graven en bouwen zoveel hij maar wil (maar afspraak is wel dat hij geen kuilen meer graaft in ‘het bos’ – en dat zijn kampen nooit dieper zijn dan een halve meter).
En ‘een schommel’ is er in de tuin van buurvriendjes: Een bijna polsdik touw dat aan een stevige tak van een eik hangt. Als Tarzan door de tuin zwieren is toch veel leuker dan dat brave schommelen zeker?

Tussen de hazelaars die achter één van de borders staan en de meidoornhaag die de perceelgrens vormt, houdt zoonlief al jarenlang een tunnel vrij. Hij vind de geheimzinnigheid van dat donkeroverwelfde pad fantastisch.

Ja, en af en toe bezeert hij zich. Geschaafde knieën, blauwe plekken, brandneteljeuk. And so what?
Al spelend moet een kind zijn eigen grenzen kunnen verkennen, zijn grenzen verleggen, zichzelf leren kennen. Spelen is bloedserieus, en dat realiseren we ons als ‘grote mensen’ soms niet meer.

He, ik denk nu plots aan een van mijn laatste jaren bij de scouts. Het jaarthema was toen ‘Spelen voor de vrijheid. Vrijheid om te spelen’ (Ja, zo oud ben ik dus al). In het extra-nummer van het tijdschrift voor de leiding stond toen een prachtig gedicht over buitenspelen waarvan ik nog jarenlang fragmenten uit het hoofd kende, en op dit ogenblik is het plots helemaal weg. Alleen herinner ik me nog dat in dat gedicht heel sterk die behoefte van kinderen verwoord werd om al spelend letterlijk en figuurlijk tegen dingen aan te lopen, hun kop te stoten’ ¦ en daardoor te leren hoe je met elkaar, de wereld en het leven omgaat.

‘Speeltuigen’ in je tuin’ ¦ in mijn ogen is dat het laatste waar je je als ‘kindvriendelijke tuinier’ zorgen om moet maken.
Ruimte om – binnen bepaalde grenzen en met oog voor de veiligheid – te doen waar je zin in hebt. Zand, water, stenen en takken’ ¦

‘ ¦En de grenzeloze creativiteit van een kind

Bron Anne Tanne [3]

[7]